Paragrafen

3b. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Het weerstandsvermogen is de belangrijkste buffer voor risico’s waarvoor geen specifieke voorzieningen zijn getroffen. Het weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin we substantiële tegenvallers op kunnen vangen. Onderstaande figuur maakt duidelijk voor welk gedeelte van de risico’s we weerstandsvermogen aanhouden:

We onderscheiden daarbij 2 soorten risico’s:

Soort risico

Omvang 2025

Toelichting

Externe risico’s
en kwetsbaarheden waar je als organisatie geen invloed op hebt

€ 58 miljoen

(Humanitaire) rampen, pandemie, extreem weer, bedreiging van de veiligheid, vluchtelingenstromen,

Rijk: financiële verhoudingen (ravijnjaar), decentralisaties, wet- en regelgeving, BUIG

Marktontwikkelingen: economische omstandigheden, rente, loongebouw, prijsstijgingen, economie, bestaanszekerheid

Strategische risico’s die inherent zijn aan de aard van de organisatie

€ 52 miljoen

Claims, bezwaren, rechtszaken, onderhandelingen, subsidies

Exploitatierisico’s (o.a. sociaal domein open-einde regelingen)

Grondexploitaties
Samenwerkingsverbanden

Totaal

€ 110 miljoen

Er is geen wettelijke normering voor het benodigde weerstandsvermogen. De raad heeft in 2014 de norm voor het weerstandsvermogen vastgesteld op 10% van het begrotingstotaal. Deze norm beweegt mee met de omvang van de begroting. De intentie van dit beleid is echter niet om de norm onnodig hoog te laten oplopen en buffer op buffer te stapelen. Daarom voorzien we de 10% regel nu van een maximum op het huidige niveau van €110 miljoen. In de P&C-cyclus blijven we daarbij wel de ontwikkeling van de risicopositie actief volgen om de passendheid hiervan periodiek te beoordelen. Dit doen we jaarlijks bij de begroting en bij de jaarrekening.

De verwachte stand per 31 december 2025 ligt met 131,9 miljoen ruim boven de norm. Het meerdere wordt o.b.v. eerdere besluitvorming grotendeels al ingezet in latere jaarschijven. Voor de actuele ruimte kijken we naar de jaarschijf 2028 (5,9 miljoen).

Weerstandsvermogen           (x € 1 miljoen)

2025

2026

2027

2028

Stand 1 januari

145,1

131,9

128,8

122,5

Storting: incidentele middelen span of attention

18,4

Overige mutaties begroting 2025

-31,7

-3,0

-6,3

-6,6

Stand per 31 december

131,9

128,8

122,5

115,9

Norm

110,0

110,0

110,0

110,0

Verschil

21,9

18,8

12,5

5,9

We kunnen niet alle risico’s kwantificeren. Daar staat tegenover dat we de stille reserves niet optellen bij het beschikbaar weerstandsvermogen. Stille reserves zijn waardecomponenten die vanuit de voorschriften niet op de balans mogen worden opgevoerd, zoals overwaarde in panden, voorraden en aandelen in andere ondernemingen en de waarde van de kunst die in ons bezit is. Het totaal van de risico’s en kwetsbaarheden ligt in 2025 onder de verwachte stand van het weerstandsvermogen.

Kengetallen
De kengetallen geven nadere informatie over de financiële positie van de gemeente. Hiervoor worden de volgende referentiewaarden gehanteerd:
 

Netto schuldquote

<85

85-130

>130

Netto schuldquote (excl. doorleningen)

<85

85-130

>130

Solvabiliteit

>50

20-50

<20

Grondexploitatie

<18

18-35

>35

Structurele exploitatieruimte

>0

0

<0

Belastingcapaciteit

<98

98-105

>105

We berekenen de kengetallen op basis van een prognose van het balansbeeld (zie 4. Balans en toelichting).
Ten opzichte van de referentiewaarden scoren we 'gemiddeld' of 'minst risicovol'. De kengetallen blijven vanaf 2025 naar verwachting in dezelfde categorieën en geven in relatie tot de financiële positie geen aanleiding tot extra bijsturing.

R2023

GB2024

B2025

B2026

B2027

B2028

Netto schuldquote

36%

40%

39%

41%

44%

47%

Netto schuldquote (excl. doorleningen)

35%

39%

37%

40%

43%

46%

Solvabiliteit

43%

40%

41%

39%

37%

36%

Grondexploitatie

4%

3%

2%

1%

0%

0%

Structurele exploitatieruimte

9%

0%

0%

0%

0%

0%

Belastingcapaciteit

95%

95%

95%

95%

95%

95%

Raming plafond BTW Compensatiefonds (BCF)
Het Rijk houdt in de berekening van de algemene uitkering middelen apart voor de BTW-declaraties van gemeenten. Als gemeenten minder declareren dan komt de ruimte tot dit BCF-plafond achteraf alsnog tot uitkering. Gemeenten mogen in de raming van de algemene uitkering tot een bepaalde hoogte rekening houden met de uitkering van deze ruimte, op voorwaarde dat de omvang expliciet wordt vermeld in deze paragraaf. Op basis van de realisatiecijfers van 2023 nemen we een bedrag van €8,9 miljoen mee in de raming voor 2025.

Deze pagina is gebouwd op 01/10/2025 11:01:38 met de export van 11/07/2024 09:01:24